De passend onderwijs-puzzel

31 januari 2019|primair onderwijs, scope

Sinds de Wet Passend Onderwijs in 2014 van kracht werd, is er veel over gezegd en geschreven. De gedachte dat ieder kind recht heeft op het onderwijs dat het beste bij hem of haar past en dat in de buurt is, zal niemand tegenspreken. Tegelijkertijd zien leerkrachten in het basisonderwijs dat er steeds meer kinderen in hun klas extra tijd en aandacht nodig hebben – iets waar het ze toch al vaak aan ontbreekt. Hoe gaan de basisscholen van SCOPE scholengroep met deze dilemma’s om?

Clusterdirecteur primair onderwijs Jacqueline van Leeuwen is een van de drijvende krachten achter de Beleidsgroep Passend Onderwijs van SCOPE scholengroep. “Vanuit het Ministerie van OCW is het duidelijk: probeer zo veel mogelijk kinderen in het regulier basisonderwijs een plekje te geven. Wij moeten ons dan afvragen welke meerwaarde het heeft dat een kind regulier onderwijs volgt. Wij merken dat ze het beter doen in de eigen buurt. Ze hoeven niet ’s ochtends opgehaald te worden met een busje en blijven gewoon met leeftijdsgenootjes uit hun leefomgeving omgaan. Dat kan ze heel erg motiveren en uiteindelijk is dat de sleutel naar succes. De motivatie komt uit het kind zelf, dat is heel duidelijk.”

Jacqueline van Leeuwen is ervan overtuigd dat passend onderwijs kan werken, maar niet als het gezien wordt als een opgelegde maatregel. “Het gaat er niet alleen om dat je de juiste maatregelen treft, maar dat het passend onderwijs in het totaalplaatje past. Voor iedere SCOPE basisschool is dat anders. Daarom werken we vanuit een gevoel van eigenaarschap. Het is jouw school en jouw klas en het zijn jouw kinderen. Tegelijkertijd luisteren we naar elkaar, want de problemen die op de ene school spelen, kunnen heel leerzaam zijn voor een andere school.”

Marianne Verburg is leerkracht op basisschool Oranje Nassau in Zwammerdam. Zij merkt iedere dag dat het heerlijk werken is wanneer er ruimte is om ieder kind als individu te benaderen. “We zijn begonnen op school met de methode Leren zichtbaar maken en daardoor kunnen we passend onderwijs heel goed toepassen. Alle leerlijnen staan bij ons op portfoliobladen en daarmee volgen we de ontwikkeling van de kinderen, die individuele doelen hebben. Wij passen het lesje aan op het kind in plaats van andersom.”

“Als je passend onderwijs handen en voeten wil geven, dan moet je eigenlijk af van het in lesjes denken en van het leerstofjaarklassensysteem. Je moet veel meer denken: wat heeft dit kind nodig op deze school van de leerkrachten?”

“Wat ik vroeger deed, was ook veel uit angst, want dan kwam er een toets aan, bijvoorbeeld de herfstsignalering, en als je dan leerlingen had die niet mee konden komen dan bleef je maar volhouden met de lesstof die aan de beurt was. Want als je er een paar bij had die het niet haalden, dan was jij de slechte leerkracht. Die kinderen moesten iets doen waar ze nog helemaal niet klaar voor waren en de leerkracht stopte onwijs veel energie in een kind en het lukte maar niet. Die cyclus moet je doorbreken.”

Vanuit het werkveld
SCOPE scholengroep blijft eraan werken om het passend onderwijs zo goed mogelijk te integreren op de scholen. Jacqueline van Leeuwen: “Vanuit de eerste beleidsgroep, die stilgestaan heeft bij de vraag wat er nodig is, is de Beleidsgroep Passend Onderwijs 2.0 ontstaan. Die heeft zich bezig gehouden met hoe we een aantal specifieke thema’s konden verbeteren binnen het passend onderwijs. We zien steeds meer kinderen met een taalachterstand, die behoefte hebben aan versterkt taalaanbod. Een ander thema was gedrag, hoe ga je om met kinderen die complex gedrag laten zien dat de klas flink verstoort. En we hadden nog een soort restcategorie, ontwikkelthema’s waarvan we ons afvroegen: waar is nu de meeste behoefte aan?”

In de Beleidsgroep Passend Onderwijs 2.0 was iedere school door minstens een personeelslid vertegenwoordigd., variërend van directeur tot orthopedagoog, leerkracht tot arrangementsbegeleider of intern begeleider. Jacqueline van Leeuwen legt uit hoe de thema’s ieder door een groep onderzocht werden. Literatuuronderzoek ging daarbij vaak hand in hand met een praktijkgerichte aanpak. “We wilden een goede weerspiegeling van het werkveld aan de beleidsgroep laten meewerken, en dat is gelukt. Ik ben regelmatig echt verrast door een aanbeveling van een groep. Bij het thema gedrag dacht ik bijvoorbeeld dat er behoefte zou zijn aan een noodvoorziening voor kinderen die tijdelijk niet in de klas te handhaven zijn. Maar de leerkrachten ervaren dit echt als een nederlaag.”

“Dus wat kunnen we in ons eigen gedrag aanpassen om iets bij de kinderen te bereiken?"

Gerard Kreugel is directeur van basisschool De Stromen in Alphen aan den Rijn. Hij was lid van de groep die het thema gedrag behandelde. “Je ziet het wel eens anders. Dan is er een commissie en dan zitten er alleen maar leidinggevenden in. Nu ben ik toevallig directeur, maar de meerderheid is echt wel vanuit de rest van het werkveld. Daardoor heb je in mijn ogen betere input.”

Uiteindelijk hebben de drie groepen in de periode van maart tot juni 2018 gewerkt aan een heel concreet en uitvoerbaar advies aan de organisatie. Kreugel: “Je komt met zijn allen eerst tot een omschrijving van het probleem. Wij hadden het over kinderen met excessief gedrag waarbij we ons handelingsverlegen voelen. Oftewel het overkomt ons en wat moeten we daar nou eigenlijk mee. Samen kwamen we tot de conclusie dat we het dan wel over het gedrag van de kinderen wilden hebben, maar dat het ons eigen gedrag is waar we invloed op hebben. Dus wat kunnen we in ons eigen gedrag aanpassen om iets bij de kinderen te bereiken?”

“Je komt dan toch uit bij scholing, vooral bij jonge docenten. Deels om fouten te voorkomen, maar ook bewuster te worden van je eigen handelen. Je doet ook veel goed waarvan je later denkt: heb ik dat nou bewust zo gedaan? Bijvoorbeeld in de vormingsfase van een groep, heb je dan wel door welke processen er allemaal spelen? We zijn ook bezig met het ontwikkelen van een eigen bibliotheek, een database waar je je informatie kunt vinden.”

Intern begeleider Dorien Dijkhuizen van basisschool De Mare behandelde in haar groep het thema versterkt taalaanbod. “Een aantal SCOPE scholen bood voorheen voor- en vroegschoolse educatie  (VVE) aan voor kinderen met een taalachterstand. Wij als groep constateerden, dat in het kader van passend onderwijs en het handelingsgericht werken, het voor alle scholen belangrijk is om een versterkt taalaanbod te kunnen bieden. Kinderen kennen gewoon minder woorden, niet alleen op VVE-locaties.”

“Woordenschat is een heel belangrijke indicator voor later schoolsucces. Maar hoe leer je eigenlijk nieuwe woorden? Door taal te stimuleren bij alle onderwijsactiviteiten. En dit niet alleen te beperken tot de woordenschatlessen. Dit soort kennis, maar ook de methoden om dit in de klas toe te passen zijn voor iedere leerkracht van belang.”

De adviezen vanuit de thema’s zijn gebundeld in een document, maar de nadruk ligt vooral op het implementeren ervan. Jacqueline van Leeuwen: “Als je het bijvoorbeeld hebt over gedrag, dan zetten we schorsing of verwijdering alleen nog maar in als de veiligheid in het geding is. Het mag geen op zichzelf staande maatregel zijn. Het wordt ook snel een eis dat er een traject gestart wordt rondom een leerling die geschorst wordt, daar zetten we komend jaar extra op in.”

“Eigenlijk is al best veel van wat wij aangeraden hebben, omgezet in beleid of in een actie."

Ieder stukje moet passen
Jacqueline van Leeuwen ziet mogelijkheden om vaker complexe vraagstukken aan te pakken door zulke grote werkgroepen in te zetten, met vertegenwoordigers uit alle lagen van de organisatie. “Ik ben erg enthousiast over de inzet. Iedereen heeft het druk, maar wij merken gewoon dat mensen hier energie van krijgen en er tijd in willen stoppen.”

Dorien Dijkhuizen: “Eigenlijk is al best veel van wat wij aangeraden hebben, omgezet in beleid of in een actie. Boekenpret bijvoorbeeld, een methode voor leesbevordering waar ouders bij betrokken kunnen worden, is nu op alle scholen beschikbaar in plaats van alleen op de VVE-locaties. En via de SCOPE academie bieden we ook al verschillende inspiratieavonden aan.”

Marianne Verburg weet dat het de moeite waard kan zijn om in passend onderwijs te investeren: “Onze methode vraagt van de leerkracht wel ontzettend veel, want je moet elke dag evalueren en we moeten ook precies weten wie waar is. Maar het levert heel veel werkplezier op, want je sluit aan bij de kinderen. Als een kind een toets niet haalt, dan vragen we ons nu af: wat heeft hij nodig? Door precies aan te sluiten bij de ontwikkeling van het kind en hem elke dag te geven wat hij nodig heeft, haalt hij bijvoorbeeld in december de herfsttoets alsnog. Nou, dan ga ik fluitend naar huis.”

Voor Gerard Kreugel zit de meerwaarde van de aanpak van de Beleidsgroep Passend Onderwijs ook in de raakvlakken tussen de thema’s. “Uiteindelijk heeft alles met elkaar te maken. Dat is wat passend onderwijs ook zo moeilijk, maar ook zo belangrijk maakt. Al die andere thema’s vond ik ook interessant en alles was ook gelinkt aan elkaar. Ik kan me bijvoorbeeld heel goed voorstellen dat kinderen die niet taalvaardig zijn, moeite hebben om aan te geven waar ze problemen mee hebben en dat daardoor weer ongewenst gedrag ontstaat. Ieder stukje van de puzzel moet passen en dat bepaalt uiteindelijk of je iets voor elkaar krijgt in de groep, of op je school.”

Jacqueline van Leeuwen: “Iedereen wil zich graag gehoord voelen. Dat geldt voor de kinderen op onze scholen, die we als individuen willen zien, met allemaal hun eigen ondersteuningsbehoeften. Maar het geldt net zo goed voor collega’s. Als ze merken dat hun werkgever op hun kennis zit te wachten en die serieus laat meewegen in het beleid, dan voelen ze zich betrokken. Uiteindelijk zorgen we met elkaar, ieder binnen zijn of haar eigen rol, voor passend onderwijs.”

“Iedereen wil zich graag gehoord voelen."

Deel dit bericht: